Speurtocht naar haute couture in de Nationale Archieven

Img_8613

U heeft voorheen een blog van mij kunnen lezen op deze plek. Deze zou gedurende mijn stage bij het modemuseum Galliera in Parijs driemaal een vervolg krijgen. Vanwege mijn afstuderen heb ik hierin niet voldaan en is blog nummer twee verlaat. In deze blog vertel ik tot wat voor stadium mijn stage zich sinds eind vorig jaar heeft ontwikkeld. Toen was ik nog vooral bezig met het zoeken naar interessante filmpjes over de mode in de jaren vijftig en enkele andere minder leuke taken, zoals het overtikken van de inventarisatieboeken van het museum.

Deze werkzaamheden zijn inmiddels veelzijdiger geworden, daarbij word ik er tegenwoordig ook voor betaald. Dit is meer dan welkom in een stad waar een klein kamertje zeshonderd euro per maand kost en ook de supermarkt duurder is dan in Amsterdam. Ik ben tegenwoordig in dienst van de stad Parijs, en dat klinkt niet alleen best cool, maar er komen ook nog allemaal andere voordelen bij. In de bibliotheek kan ik gratis dvd’s en cd’s lenen, en hoef ik niet de 26,70 te betalen die anderen daaraan uitgeven. Ik kan met korting naar concerten, met korting op vakantie, met korting naar de hammam. Tussen de middag ga ik naar één van de “restaurants administratifs” waar alle “agenten” van de stad hun lunch opeten. Deze keukens bieden voor 1,81 een hoofdgerecht, een bakje salade voor 0, 46 cent en chique toetjes voor 1,21. Er zijn verschillende; van de week zat ik in het restaurant bij het Hôtel de Ville. Dit gebouw had beter uitgebuit kunnen worden door er een luxewinkel in te plaatsen, maar de stad Parijs bewaart het voor zijn werknemers. Daarom zat ik koffie van 0,41 cent op te drinken met uitzicht op de platanen van de Place de l’Hôtel de Ville.

Ik was daar overigens in de buurt omdat ik die ochtend een rondleiding had gehad in de bibliotheek van het Centre Pompidou (de bibliotheek waar in de winter mensen tot 2 uur buiten in de rij staan te wachten). Andere visites waren naar een veiling van een kostuumcollectie, de theaterkostuumafdeling van de Bibliothèque Nationale de France en de expositie over de modeontwerpster Madeleine Vionnet, die in de jaren twintig en dertig wiskundig doordachte creaties maakte. Op 16 december ga ik naar een gat in midden Frankrijk, Moulins, waar in 2006 een groot theaterkostuummuseum is neergezet. Na tweeënhalf uur TGV zullen we er een rondleiding in de expo, de archieven en de bibliotheek krijgen, natuurlijk doorbroken door een uitgebreide lunch, bestaande uit “Tagliatelle carbonara” of “Saucisse Alligot”, gevolgd door “Profiteroles chocolat”.

Ik ben niet alleen verwikkeld in het eten van toetjes en bezoekjes aan musea en bibliotheken, maar soms werk ik ook. Grotendeels bestaat mijn werk uit onderzoek doen naar de van tevoren opgestelde elementen van de expositie waar ik aan werk: Franse mode 1947-58. Er zijn een tiental onderwerpen waaraan ik het afgelopen jaar heb gewerkt. Onder andere onderzoek naar onbekende modemerkjes, de precieze stofrantsoenering van net na de oorlog en agressieve feministenreacties op de nieuwe mode uit 1947. Mijn meest recente onderzoek gaat over de (mogelijke) banden tussen haute couture en toerisme. Hiervoor ging ik afgelopen vrijdag naar het “CAC”. Dit zijn de archieven van Frankrijk, de Archives Nationales, en daarvan het onderdeeltje “modern”, dus 1940-2009. Voorheen nam ik om in dit soort instituten te komen gewoon de metro tot een paar haltes verder (naar de Marais bijvoorbeeld), maar nu moest ik naar het stadje Fontainbleau, ten oosten van Parijs. Om hier te komen kun je geen metro nemen, geen RER, en geen “grande ligne”. Hiervoor moet je de Francilien hebben, en daarvoor kan je op het Gare de Lyon alleen kaartjes kopen op een bepaalde verdieping, bij bepaalde automaten. Dit vertelde een mevrouw van de SNCF (Franse spoorwegen) mij nadat ik een half uur had gewacht op een vrij loket. Uiteindelijk ben ik in Fontainebleau gearriveerd, waar een bus mij vervolgens naar de andere kant van de stad bracht waar deze archieven zowaar ook echt lagen, recht tegenover een legerkazerne. Daar, au milieu de nulle part, kreeg ik na lange tijd mijn documenten, die meteen dat opzwepende gevoel in mij aanwakkerden – ik ga hier iets vinden!

Wat ik dan zoek? Tijdens andere onderzoekjes heb ik ontdekt dat vanaf het eind van jaren veertig toerisme een belangrijk stokpaardje was voor het Marshall Plan om meer Amerikanen (lees: meer dollars) naar Frankrijk te krijgen. De Fransen zagen dit ook en zo werden Amerikanen vanaf beide kanten van de oceaan bestookt om in Frankrijk de perfecte toeristische bestemming te zien. Mijn hoop is om de precieze functie van haute couture hierin te vinden. Het lijkt me geweldig om een opmerking over de aantrekkingskracht van de Franse haute couture te vinden in een opgeschreven presentatie van een hoge toerisme-pief, Jean Ingrand bijvoorbeeld, of Jacques Médecin. Want tot nu toe loven zij vooral de luxe-industrie in het algemeen, en dat is niet genoeg! Gelukkig weet ik nu al dat er ook interessante stukken zullen zitten in de archieven van het ministerie van de industrie: over de subsidies die het Franse rijk aan de couture création afstond. Verder lees ik in deze archieven ook alle reclameblaadjes die het “office général du tourisme” heeft uitgegeven tussen 1946 en 1958. Hiervan had ik er een twintigtal bekeken in de Bibliothèque Nationale de France, maar een onderzoek moet natuurlijk wel compleet zijn. Daarom kijk ik ernaar uit om morgenochtend om 7 uur in de Francilien te stappen en opnieuw de reis naar Fontainebleau te maken.

(De foto boven: jurk te koop op een veiling in veilinghuis Drouot. Het museum heeft in hetzelfde materiaal een creatie van ontwerper Jacques Heim)

7 December 2009
By on 16:18
Hoofdstuk 1

Photo_210

Sinds anderhalve maand loop ik stage in Musée Galliéra, het modemuseum dat toebehoort aan de stad Parijs. Het is een klein museum gesitueerd in een oud paleisje, dat ooit van keizerin Galliéra was. Deze dame wilde het museum schenken aan de regering van Frankrijk, maar vanwege een foutje in de onderhandelingen viel het uiteindelijk in handen van de stad Parijs. In 1977 werd er een modemuseum van gemaakt, in de archieven hangen en liggen momenteel ongeveer 100.000 stukken, oftewel pièces, deze dateren van de vroege achttiende eeuw tot nu.

Mijn taak binnen dit modemuseum houdt in dat ik de curator help, die de tweede helft van de twintigste eeuw onder haar vleugels heeft. Deze superjonge ambtenares heeft het geluk dat ze het concours “des conservateurs du patrimoine” heeft doorstaan – de enige manier om in een museum te werken, dat van de Franse staat is. Hiervoor moet je ongeveer alles weten van kunstgeschiedenis (alles periodes, alle gebieden) en algemene geschiedenis (alle periodes, alle gebieden). Wanneer je met haar spreekt – ze is ook mijn begeleidster – wordt al snel duidelijk dat zij dit concours met vlag en wimpel heeft gehaald, want zij komt constamment op de proppen met algemene weetjes en details over geschiedenis, en met name die van de mode.

Mijn geluk is dus dat deze conservator mij alles vertelt wat ze weet. Maar niet alleen dit is prettig aan de stage. Door het onmogelijke concours-systeem is er geen concurrentie, en is de sfeer in het museum zeer prettig. Iedereen is aardig tegen elkaar, en er zijn zelfs een paar Fransen die grapjes proberen te maken (mijn vooroordeel dat Fransen geen humor hebben blijft). Daarnaast mag ik in de archieven de pièces van dichtbij bekijken. Het gevoel dat me bekruipt bij het zien van een vroeg negentiende-eeuwse robe is onbeschrijflijk, zeker gezien ik zo dicht bij het materiaal mag komen als ik wil, en ter plekke een uitgebreide uitleg over materiaal, functie en historie van het stuk krijg. Het moge duidelijk zijn dat mode mijn passie is, dit overigens al sinds mijn jonge puberteit.

Photos_blog_003

Naast het zien van de stukken, en het aanhoren van de verhalen van mijn begeleidster, leer ik dus ook over materialen en leer ik het Franse jargon voor kledingstukken, accessoires en hun details kennen, waar al ik enigszins bekend mee ben omdat ik ooit op de mode-academie zat. Ze komen van pas in de lessen in modegeschiedenis die ik mag volgen op de Ecole du Louvre (een school die een interessante naam draagt, maar naar horens niet al te veel kwaliteit te bieden heeft). Al dit versterkt mijn historische basiskennis en maakt de stage didactisch. Hiernaast wordt het toegejuicht als ik lees op mijn stage, zodat ik extra bagage heb over het onderwerp waar we mee bezig zijn: de jaren vijftig. De belangrijkste ontwikkeling van de periode: Christian Dior’s New Look, die als een bom insloeg. Saillant detail: er werd een anti-Dior organisatie opgericht door een stel mannen, die het zat waren hun geld aan de peperdure creaties van hun echtgenotes te besteden. Dior veranderde het silhouet elke zes maanden, waardoor er steeds een nieuwe garderobe “moest” worden aangeschaft.

Maar naast deze geweldig leuke dingen, ben ik uiteraard ook bezig met saai werk, zoals het overtikken van informatie over stukken uit de enorme boeken waarin de collectie is geïnvertariseerd. Ik weet echter, dat het belangrijk is, en dat we snel gaan beginnen met het selectioneren van de stukken die we in de expositie gaan laten zien. Hierover binnenkort meer!

NB De foto boven is genomen in de expositie die nu plaatsvindt tot eind april – "sous l’empire des crinolines"; over de periode 1848-1870. Deze ‘corsages’ behoorden toe aan keizerin Eugenie, de vrouw van Napoléon III. De foto in het midden van de blog toont de voorkant van het museum, met rechts erachter zichtbaar de punt van de Eiffeltoren.

15 December 2008
By on 16:57